Historisch dorpsgezicht van Nes op Ameland, circa 1920

Verdwenen, maar niet vergeten: De fabriek die Ameland voor het eerst licht gaf

NES – Probeer het je eens voor te stellen. Het is een donkere novemberavond in 1918. Buiten is het vroeg donker geworden. In de huizen in Nes zorgen kaarsen en petroleumlampen voor het licht. En dan gebeurt er iets bijzonders: op 24 november 1918 brandt in Nes het eerste elektrische licht van Ameland.

Serie

Verdwenen, maar niet vergeten

Plekken en verhalen van het oude Ameland

Ameland verandert voortdurend. Gebouwen verdwijnen, bedrijven sluiten, landschappen verschuiven en soms blijft van een plek uiteindelijk alleen een foto, een herinnering of een verhaal over.

In de serie Verdwenen, maar niet vergeten duiken we in plekken en verhalen die ooit bij het eiland hoorden, maar die je vandaag niet meer terugvindt zoals vroeger. We kijken niet alleen naar wat er verdwenen is, maar vooral naar de mensen erachter.

We begonnen aan de kust bij Nes. In de eerste aflevering stond Hotel Scheltema centraal, het markante hotel dat jarenlang tegen de oprukkende Noordzee vocht en uiteindelijk verdween. Daarna vertelden we het verhaal van Strandhotel Steinvoorte, de buurman van Scheltema. Voor deze derde aflevering laten we het strand achter ons. We gaan het dorp in.

Want verdwenen Ameland bestaat niet alleen uit hotels, pensions en vakantiehuizen. Het bestaat ook uit plekken waar gewerkt werd. Bedrijven waarvan het geluid ooit bij een dorp hoorde. Gebouwen waar mensen dagelijks kwamen en waarvan generaties later soms nauwelijks nog bekend is wat er allemaal gebeurde. De boterfabriek van Nes is zo’n plek. En het bijzondere is: dit verhaal gaat uiteindelijk over veel meer dan boter.

Een fabriekje in een oude werkplaats

Historisch dorpsgezicht van Nes op Ameland, circa 1920
Ansichtkaart van Nes, circa 1920. Collectie Tresoar / PBF Prentbriefkaarten via Wikimedia Commons (publiek domein).

Het verhaal begint in 1896. Op de plek aan de huidige Marten Janszenstraat waar later de firma Kiewiet gevestigd zou zijn, stond een voormalige timmerwerkplaats annex boerderij. Daar begon Jan Jans Mosterman op bescheiden schaal met de productie van boter.

Mosterman, geboren in 1868 in Buren, werd deels eigenaar van het pand. Zijn naam zou op Ameland lang met de fabriek verbonden blijven. Hij kreeg zelfs een bijnaam die weinig uitleg nodig heeft: ‘Jan Fabriek’. Dat zegt misschien wel genoeg over de betekenis die zo’n onderneming in een klein dorp kon krijgen.

De fabriek begon eenvoudig. Het werk gebeurde aanvankelijk op handkracht. Dat paste bij het Ameland van die tijd. De boerenbedrijven waren klein. Een paar koeien was heel gewoon. Melk werd op de boerderij verwerkt en boter kon zelfs als ruilmiddel worden gebruikt om winkelwaren te verkrijgen.

Maar de landbouw veranderde. Er kwam meer melk beschikbaar en het thuis karnen werd steeds minder praktisch. Een centrale plek waar melk verwerkt kon worden, bood uitkomst. Nes liep daarin voorop: de fabriek uit 1896 was de eerste boterfabriek van Ameland.

Van spierkracht naar stoom

Een fabriek die groeit, vraagt om meer kracht. Rond de eeuwwisseling werd daarom een belangrijke stap gezet. Voor de fabriek werd vergunning aangevraagd om een stoommachine te plaatsen. Ook kwam er een graanmalerij bij.

Dat moet het karakter van de plek behoorlijk hebben veranderd. Waar eerst vooral handmatig werd gewerkt, kwamen machines. Waar melk binnenkwam, werd boter gemaakt. Er werd graan gemalen. Er was bedrijvigheid. Voor boeren uit Nes en Buren werd de fabriek onderdeel van hun dagelijkse werkelijkheid.

Het was geen monument. Het was gewoon een bedrijf. En juist daarin zit de charme van dit soort geschiedenis. Niemand die er in 1905 naar binnen liep, zal hebben gedacht: goed opletten, want hierover wordt over ruim honderd jaar nog geschreven. Mensen waren aan het werk.

Foppe de Jong en een nieuwe tijd

Een belangrijke naam in het verdere verhaal is Foppe de Jong. Hij nam de fabriek in 1911 over. Onder zijn leiding bleef het bedrijf zich ontwikkelen.

En toen kwam 1918. Europa bevond zich in de laatste fase van de Eerste Wereldoorlog. Nederland was neutraal gebleven, maar merkte wel degelijk de gevolgen van de oorlog. Brandstoffen en grondstoffen waren schaars. Op Ameland ontstond tegelijkertijd een heel andere wens: elektrisch licht.

Tot dan toe: kaarsen en petroleum

Voor iemand die vandaag gedachteloos een lichtschakelaar indrukt, is het bijna onmogelijk om werkelijk te voelen wat elektriciteit betekende voor mensen die het nooit hadden gehad. Een donkere avond was ook echt donker.

Natuurlijk waren er kaarsen en petroleumlampen. Maar het licht was beperkt. Lampen moesten worden aangestoken en onderhouden. Petroleum moest beschikbaar zijn. Elektrisch licht veranderde iets fundamenteels.

In 1918 werd daarom in Nes de Coöperatieve Vereeniging voor Electrische Verlichting opgericht. Voor de opwekking van die elektriciteit kwam men uit bij een plek waar al machines en aandrijving aanwezig waren: de zuivelfabriek. De dynamo werd gekoppeld aan de krachtbron van de fabriek. Daarmee ontstond een combinatie die tegenwoordig bijna wonderlijk klinkt: boterfabriek, graanmalerij én elektriciteitscentrale.

24 november 1918

Dan komt die datum: 24 november 1918. Voor het eerst brandt elektrisch licht op Ameland.

Sta daar even bij stil. Niet via een kabel vanaf de vaste wal en niet vanuit een moderne centrale. In Nes, vanuit een fabriek waar ook boter werd gemaakt en graan werd gemalen.

Ergens moet iemand die avond voor het eerst naar een elektrische lamp hebben gekeken die werkelijk licht gaf. Kinderen zullen het gezien hebben. Ouderen die hun hele leven kaarsen en petroleum gewend waren ook. Hoe werd erop gereageerd? Werd er speciaal bij buren gekeken die al aangesloten waren? Was er enthousiasme, of ook wantrouwen?

Juist dat zijn de dingen die officiële documenten meestal niet vastleggen. We weten wanneer de techniek kwam. Maar hoe het voelde toen die techniek voor het eerst onderdeel werd van het dagelijks leven, weten vooral de mensen die de verhalen thuis hebben doorgekregen.

Licht zolang de fabriek draaide

Het systeem was aanvankelijk bepaald niet te vergelijken met onze huidige elektriciteitsvoorziening. In een oude terugblik van Persbureau Ameland wordt een prachtig detail genoemd: als de fabriek niet draaide, was er in de huiskamers ook geen elektrisch licht.

Dat ene detail brengt de situatie misschien beter tot leven dan een technische beschrijving. Je elektriciteitsvoorziening was letterlijk verbonden met het bedrijf verderop in het dorp. Geen draaiende fabriek? Dan ook geen licht.

In 1921 werd de installatie verbeterd en kwam er onder meer een accubatterij bij. De techniek ontwikkelde zich verder en uiteindelijk werd in de centrale met twee dynamo’s stroom opgewekt. Wat experimenteel begon, werd langzaam onderdeel van het normale leven.

Boter, graan en stroom onder één dak

Historische ansichtkaart van een winkel in Nes, 1928
Nes, winkel “Oud Woonhuisje”, 1928. Collectie Tresoar / PBF Prentbriefkaarten via Wikimedia Commons (publiek domein).

In 1927 nam Foppe de Jong de activiteiten van de failliete elektriciteitscoöperatie over. Het bedrijf ging verder onder een naam die bijna alles vertelt wat er op die plek gebeurde: N.V. Stoomzuivelfabriek, Graanmalerij en Electrische Centrale te Nes.

Je zou er tegenwoordig waarschijnlijk drie verschillende bedrijven voor oprichten. Toen zat het bij elkaar. Boeren kwamen er vanwege hun melk. Graan werd er gemalen. En vanuit dezelfde onderneming kwam elektriciteit het dorp in.

De fabriek was daarmee niet alleen een bedrijf. Hij werd onderdeel van de infrastructuur van Nes.

De kleine zuivelfabrieken verdwijnen

Na Nes kregen ook andere dorpen hun eigen kleine zuivelfabrieken. Maar die schaal was niet eeuwig houdbaar. In Hollum werd in de jaren twintig een grotere gezamenlijke zuivelfabriek gebouwd. Daar werd in september 1925 de eerste melk verwerkt.

Langzaam verschoof de melkverwerking. In de jaren dertig stopte de zuivelproductie in Nes en gingen boeren hun melk elders op het eiland leveren. Daarmee verdween één functie van de oude fabriek. Maar het licht bleef.

De centrale gaat door

De elektriciteitscentrale bleef bestaan. In 1943 werd zij verkocht aan het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf Friesland, het PEB. Daarmee kwam de stroomvoorziening steeds verder in professionele handen.

Tot 1953 bleef de elektriciteitscentrale op deze plek in Nes actief. Daarna kwam er een nieuwe centrale aan de Ballumerweg. Een tijdperk was voorbij. De plek waar het elektrische avontuur van Ameland was begonnen, verloor zijn functie als centrale.

Van elektriciteit naar smederij

Maar het gebouw verdween niet onmiddellijk. Na de komst van de nieuwe centrale vestigde Theo Kiewiet zich op de oude locatie en maakte er een smederij van. Opnieuw werd er gewerkt. Opnieuw klonken er andere geluiden uit het gebouw.

Later groeide de onderneming verder en kwam er onder meer een doe-het-zelfzaak. Voor wie daar in recentere tijden kwam, was het misschien gewoon Kiewiet. Maar onder die alledaagse werkelijkheid zat een veel ouder verhaal.

Hier begon de eerste boterfabriek van Ameland. Hier werd graan gemalen. En hier begon de elektrische geschiedenis van het eiland.

Wat een plek allemaal kan meemaken

Dat is misschien wel het mooiste aan deze aflevering. Bij Hotel Scheltema en Strandhotel Steinvoorte was het verdwijnen zichtbaar en dramatisch. Bij de boterfabriek is het anders. Hier veranderde vooral de functie.

Een werkplaats werd fabriek. Een fabriek kreeg een stoommachine. Er kwam een graanmalerij. Daarna elektriciteitsopwekking. De boterproductie verdween. De centrale verhuisde. Er kwam een smederij. En weer later veranderde de plek opnieuw.

Het landschap hoeft niet altijd leeg te zijn om iets te kunnen verliezen. Soms staat er nog steeds iets op een plek, maar is de wereld die erbij hoorde volledig verdwenen.

Stel je de Marten Janszenstraat eens voor

Loop er eens doorheen en probeer het huidige beeld weg te denken. Geen moderne straatverlichting. Geen smartphones. Geen koelkasten, televisies, laptops, laadpalen of elektrische fietsen.

Denk aan boeren met kleine aantallen koeien. Aan melk die verwerkt moet worden. Aan een fabriek waarin machines draaien. Aan stoom. En dan, op een donkere avond in november 1918, gaat ergens een lamp branden. Daarna nog één. En nog één.

Wat op dat moment bijzonder moet zijn geweest, werd uiteindelijk zo gewoon dat niemand er nog bij stilstaat. Misschien is dat precies waarom dit verhaal verteld moet worden. Geschiedenis bestaat niet alleen uit rampen, oorlogen en beroemde personen. Soms is geschiedenis gewoon iemand die voor het eerst thuis het licht aandoet.

Weet jij nog meer?

Herken je dit verhaal? Heb je zelf nog herinneringen, oude foto’s, krantenknipsels, ansichtkaarten of verhalen die binnen je familie zijn doorgegeven? Of ken je mensen die er hebben gewerkt, gewoond of op een andere manier bij betrokken waren? Dan horen we dat graag.

Ook tips voor een volgende aflevering zijn welkom. Denk aan verdwenen hotels, pensions, winkels, cafés, boerderijen, scholen, bedrijven of andere plekken op Ameland waarvan het verhaal volgens jou niet verloren mag gaan.

Mail naar: info@persbureau-ameland.nl

Redactie Persbureau Ameland
Redactie Persbureau Ameland
Artikelen: 200