HOLWERD / AMELAND – Op een oude foto staan mannen op een smalle strook basalt midden in de Waddenzee. Aan weerszijden ligt water. Op de achtergrond is de kerktoren van Holwerd te zien. Het bouwwerk oogt bescheiden voor een onderneming die zo veel moest veranderen. Toch lag hier de eerste stap van een plan waarin het Wad langzaam zou opslibben, dijken nieuwe polders zouden omsluiten en uitgestrekte landbouwgronden zouden ontstaan tussen de Friese kust en de eilanden.
Serie
Verdwenen, maar niet vergeten
Plekken en verhalen van het oude Ameland
Ameland verandert voortdurend. Gebouwen verdwijnen, bedrijven sluiten, landschappen verschuiven en soms blijft van een plek uiteindelijk alleen een foto, een herinnering of een verhaal over.
In de serie Verdwenen, maar niet vergeten duiken we in plekken en verhalen die ooit bij het eiland hoorden, maar die je vandaag niet meer terugvindt zoals vroeger. We kijken niet alleen naar wat er verdwenen is, maar vooral naar de mensen erachter.
Het bleef niet bij plannen en tekeningen. Er werd jarenlang aan de dam gewerkt, grote hoeveelheden materiaal werden naar het Wad gebracht en mensen waagden daadwerkelijk de oversteek naar Ameland. De onderneming kreeg geld van particuliere investeerders en steun van de overheid. Maar toen de stormen schade aanrichtten, kwamen ook de herstelkosten en de vraag wie voor het vervolg wilde betalen.
In deze zevende aflevering van Verdwenen, maar niet vergeten volgen we de dam van Pieter Teding van Berkhout. Zijn project mislukte, maar de restanten liggen nog in het Wad. Het verhaal verklaart ook waarom de dam soms ten onrechte wordt voorgesteld als een gewone weg waarover Ameland jarenlang eenvoudig bereikbaar was.

Een kaart vol mogelijkheden
Jonkheer Pieter Jan Willem Teding van Berkhout werd in 1825 geboren. Hij studeerde rechten en werkte als advocaat in Deventer. Zijn belangstelling ging daarnaast uit naar ondernemingen die economische ontwikkeling mogelijk moesten maken. De Waddenzee werd uiteindelijk het project waaraan zijn naam verbonden bleef.
Een vroege biografische beschrijving vertelt hoe oude kaarten uit het bezit van zijn vader hem op een idee brachten. Hij vergeleek die kaarten met nieuwere gegevens over de waterdiepte. Als er van nature al slib werd afgezet, was dat proces misschien ook te versnellen.
Die gedachte paste bij de negentiende-eeuwse belangstelling voor landaanwinning. Een droogvallende wadplaat kon worden bekeken als grond die nog niet geschikt was voor landbouw, maar dat met voldoende tijd en werk wel zou kunnen worden. De waarde van het gebied werd in zulke plannen vooral verbonden met zijn toekomstige opbrengst.
Teding van Berkhout liet zijn ideeën niet bij een gesprek of een schets. In 1867 publiceerde hij een uitvoerige verdediging van de noodzakelijkheid, uitvoerbaarheid en voordelen van landaanwinning op de Friese Wadden. Potentiële geldschieters moesten ervan overtuigd raken dat de investering zou uitmonden in bruikbaar en waardevol land.

De natuur moest een deel van het werk doen
De dam moest het water plaatselijk afremmen. Wanneer water rustiger stroomt, kunnen meegevoerde slibdeeltjes bezinken. Met aanvullende werken wilde men dat proces bevorderen. Het uiteindelijke doel was een hoger gelegen wadbodem die later kon worden ingedijkt.
Daar zat de aantrekkelijkheid van het plan. Er hoefde niet meteen een complete polder te worden drooggelegd. Eerst zou een relatief beperkt bouwwerk helpen om de uitgangssituatie te verbeteren. De grond zou in de loop van de tijd aangroeien; de grote bedijking en inrichting konden daarop volgen.
Een kaart uit een publicatie van 1878 laat zien hoe ver men vooruitdacht. Het toekomstige land is daar al in een patroon van polders en percelen verdeeld. De dam was de eerste ingreep in een gebied dat op de kaart een volledig andere bestemming kreeg.
Maar tussen een aanslibbende wadbodem en een bruikbare akker lagen nog grote stappen. Het terrein moest voldoende hoog worden, er waren dijken en afwatering nodig en ook de inrichting kostte geld. De eerste dam moest dus lang genoeg blijven liggen om die volgende fasen mogelijk te maken.
Een lage dam is nog geen verkeersweg
De verbinding werd over het toenmalige wantij aangelegd. Een wantij is het gebied waar de getijstromen elkaar ontmoeten en de stroomsnelheden relatief gering zijn. Zo’n plek lijkt logisch voor een werk dat aanslibbing moet stimuleren. Ook daar blijven waterstanden en weersomstandigheden echter bepalend.
De dam was laag. Delen kwamen bij hoogwater onder water te staan. Dat onderscheid is essentieel: een aaneengesloten bouwwerk op de kaart betekende geen permanent droge route tussen Holwerd en Ameland.
De aanleggeschiedenis kende bovendien verschillende uitvoeringen en verbeteringen. In 1871 begon het werk. In de jaren daarna werd doorgebouwd en aangepast; een bericht uit september 1878 beschouwde het werk als voltooid. Daardoor noemen historische overzichten uiteenlopende jaartallen. Een vroege mogelijkheid om over te steken en de latere oplevering van werkzaamheden zijn verschillende mijlpalen.
De bekende formulering dat Ameland een aantal jaren geen eiland was, maakt de geschiedenis daardoor te eenvoudig. De dam maakte onder omstandigheden een oversteek te voet mogelijk. Hij veranderde de dagelijkse bereikbaarheid niet in die van een dorp aan een vaste straatweg.
Werken tussen twee getijden
Voor de aanleg waren rijshout, palen en steen nodig. Gevlochten hout vormde de ondergrond; daarop kwam ballast en een afdekking met basalt. Het geheel moest op zijn plek blijven wanneer het water terugkeerde.
Een verslag uit 1904 beschrijft hoe in mei 1871 zowel vanaf de Friese kust als vanaf Ameland werd begonnen. De twee kanten moesten naar elkaar toegroeien. Het werk speelde zich af in een omgeving die een deel van de dag bereikbaar was en later weer onder water verdween.
Dat ritme bepaalde de organisatie. Materiaal moest op tijd op de juiste plaats komen, terwijl het eigenlijke werk op het Wad afhankelijk bleef van het tij. Een dam op deze plek bouwen was een voortdurende afwisseling van voorbereiden, vervoeren, aanbrengen en controleren.
Bij voltooiing was het onderhoud allerminst afgelopen. Een beschadigde afdekking kon de onderliggende constructie kwetsbaar maken. Wie alleen naar een historische foto van de basaltstrook kijkt, ziet vooral de bovenzijde. Het houtwerk en de bevestigingen eronder waren even belangrijk voor het functioneren.
De mannen op de foto’s staan op een constructie die bestand moest zijn tegen de dagelijkse werking van het getij. De dam moest immers niet alleen blijven liggen, maar ook de tijd krijgen om het opslibben op gang te brengen.
De opbrengst lag in de toekomst
Voor de financiering kwam er een maatschappij voor landaanwinning. De onderneming trok aandeelhouders aan; ook het Rijk en de provincie Friesland droegen financieel bij. De aanleg vergde volgens het overzicht van Open Monumentendag uiteindelijk ongeveer 770.000 gulden.
Het was een investering met een bijzondere tijdschaal. De kosten kwamen onmiddellijk, terwijl de mogelijke opbrengsten pas veel later konden volgen. Eerst moest voldoende grond ontstaan. Pas na verdere werkzaamheden kon die als landbouwgrond waarde opleveren.
Stormschade was daarom een dubbel probleem. Herstel kostte extra geld en kon tegelijk de vooruitgang van het opslibben aantasten. Er was geen gewone bedrijfsomzet waarmee onverwachte uitgaven eenvoudig konden worden opgevangen.
Op de kaarten kon de toekomstige polder er overzichtelijk uitzien. In de boekhouding bleef de vraag hoeveel langer investeerders en overheid wilden wachten. De technische houdbaarheid van de dam en de financiële draagkracht van de onderneming raakten zo steeds nauwer met elkaar verbonden.
Teding van Berkhout vestigde zich op Ameland
Teding van Berkhout hield zich intensief met de uitvoering bezig. In een vroeg biografisch overzicht wordt vermeld dat hij in een keet bij Nes ging wonen om zich aan het project te wijden. Latere Amelander geschiedschrijving situeert zijn verblijf bij het werk onder Buren en noemt de bijnaam Wadden Piet.
Dat verblijf maakt de onderneming persoonlijker. De initiatiefnemer bleef niet alleen de man van een brochure of een aandeelhoudersvergadering. Hij was ter plaatse, waar de dam werd gebouwd en onderhouden.
Toch is het verleidelijk om zijn betrokkenheid te gebruiken als verklaring voor alles wat daarna gebeurde. Dat zou tekortdoen aan de omvang van het project. Ingenieurs, arbeiders, geldschieters en bestuurders maakten eveneens keuzes. De dam moest als onderneming blijven functioneren, hoeveel overtuiging de initiatiefnemer zelf ook bezat.
Er waren bovendien deskundigen die bezwaren hadden tegen de gekozen uitvoering. De discussie ging onder meer over de hoogte en de krachten die bij ongunstige omstandigheden op het werk konden inwerken. De mislukking kwam dus niet voort uit een gevaar dat vooraf volkomen ondenkbaar was.
Een wandeling die veel zwaarder uitviel
Rond 1880 besloten de broers Hendrik, Bert en Adriaan Burger vanuit Holwerd over de dam naar Ameland te lopen. André Staal beschreef hun tocht later op Amelander Historie. De broers waren op reis door Friesland en besloten bij de zeedijk de oversteek naar Ameland te wagen.
De basaltstenen bleken een moeizame ondergrond. De kruin was smal en de wandelaars moesten hun voeten zorgvuldig neerzetten. Na uren kwamen ze vermoeid op het eiland aan. Voor de terugreis kozen ze de boot. Toen zagen ze dat de dam inmiddels onder water lag.
Het is een bruikbaar tegenbeeld bij de indruk die een dikke lijn op een kaart kan wekken. De broers hadden geen comfortabele wandelweg gevonden. Hun ervaring laat zien hoe sterk een oversteek afhankelijk was van de omstandigheden en van de tijd die hij kostte.
Voor het eiland bleef de scheepvaart dan ook belangrijk. De gevolgen van een haperende verbinding beschreven we eerder in het verhaal over de Amelander post. De mogelijkheid om eens over de dam te lopen maakte de bestaande verbindingen niet overbodig. In het Amelandverslag uit 1904 worden de schippers en hun afhankelijkheid van weer en water uitvoerig beschreven.
De gaten werden groter dan het herstel kon dragen
Op 14 oktober 1881 veroorzaakte een zware storm schade aan de dam. Op 30 april 1882 volgde nieuwe schade. Het vroege biografische overzicht noemt uiteindelijk drie gaten met een gezamenlijke lengte van ongeveer driehonderd meter. Onder die openingen waren diepe uitschuringen ontstaan.
Daarmee ging het om veel meer dan een losgeraakte laag basalt die opnieuw moest worden aangebracht. Waar water door een gat stroomt, kan de bodem verder worden uitgeschuurd. Een beschadiging kan daardoor groter en moeilijker te herstellen worden.
In de zomer van 1882 werd nog aan herstel gewerkt. Een deel van het grootste gat werd volgens hetzelfde overzicht slechts tot laagwaterniveau gedicht. De storm van 24 op 25 oktober 1882 vernielde opnieuw werk dat met moeite was uitgevoerd.
De ondergang was dus geen enkel dramatisch ogenblik waarna iedereen onmiddellijk vertrok. Er was een opeenvolging van schade, reparatie en nieuwe vernieling. Dat maakt de afloop ook begrijpelijker: iedere herstelpoging vroeg om nieuw geld, terwijl de kans bleef bestaan dat de volgende storm de investering opnieuw zou aantasten.
Het besluit in Den Haag
Na de stormen bleef de vraag bestaan of het Rijk het werk moest overnemen of verder ondersteunen. De regering legde een voorstel voor waarmee de dam alsnog kon worden voltooid en verdedigd. In juni 1887 wees de Tweede Kamer dat voorstel af.
Daarmee verdween de financiële basis voor een grootschalige redding. De maatschappij bleef nog een tijd bestaan, maar werd in 1903 geliquideerd. Het toekomstige polderland op de kaarten kwam er niet.
De vroege biografie is op één punt opvallend nuchter: hoewel Teding van Berkhout veel aan het project besteedde, bleef hij volgens de auteur een bemiddeld man. Het veel aantrekkelijker verhaal dat hij persoonlijk alles verloor, kunnen we daarom niet zonder meer overnemen.
De mislukking van de onderneming staat vast. Hoe iedere betrokkene de financiële en persoonlijke gevolgen heeft ervaren, vraagt om afzonderlijke bronnen. Ook bij een verhaal met een uitgesproken hoofdpersoon helpt het om de afloop niet dramatischer te maken dan de gegevens toelaten.
De discussie keerde terug
Met het mislukken van de oude dam verdween het idee van een vaste verbinding niet. In de twintigste eeuw kwamen nieuwe voorstellen op tafel. Een rapport uit 1965 in het publicatiearchief van Rijkswaterstaat behandelt bijvoorbeeld vragen over een dam tussen Ameland en de Friese kust en over het afsluiten van het Wad ten zuiden van het eiland.
De achtergrond was inmiddels veranderd. Naast landaanwinning speelde de bereikbaarheid voor een groeiende toeristenstroom een rol. Een vaste verbinding kon worden voorgesteld als een manier om vervoer eenvoudiger te maken. Tegelijk groeide de aandacht voor het behoud van de Waddenzee en voor het bijzondere karakter van een eiland.
Die latere discussie hoort bij de geschiedenis, maar moet van de negentiende-eeuwse onderneming worden onderscheiden. Een dam voor aanslibbing en toekomstige landbouwgrond diende een ander eerste doel dan een wegverbinding voor auto’s en bezoekers.
Wat in het Wad achterbleef
In verslagen van wadlopers worden nog altijd resten van de oude dam beschreven. Persbureau Ameland besteedde eerder aandacht aan de tocht die schrijvers Corine Nijenhuis en Mathijs Deen maakten naar de resten ervan. Nijenhuis verwerkte de geschiedenis ook in haar historische roman Waddenwolf.
Op sommige plekken zijn basaltstenen en delen van het houtwerk nog zichtbaar. Ook is plaatselijk de verhoogde strook van de voormalige dam te herkennen. Andere delen zijn inmiddels onder het sediment verdwenen of door geulen weggeslagen.
Het Wad is voortdurend in beweging en ook de resten van de dam zijn daardoor in de loop der jaren veranderd. Wat ooit bedoeld was als de eerste stap naar een groot landbouwgebied, ligt nu als een overblijfsel van dat plan in een getijdengebied.
De dam is nooit geworden wat Teding van Berkhout voor ogen had. Maar wie de resten in het Wad terugvindt, ziet nog altijd de sporen van een ambitieus plan dat het landschap van de Waddenzee voorgoed had moeten veranderen.
Weet jij nog meer?
Herken je dit verhaal? Heb je zelf nog herinneringen, oude foto’s, krantenknipsels, ansichtkaarten of verhalen die binnen je familie zijn doorgegeven? Of ken je mensen die er hebben gewerkt, gewoond of op een andere manier bij betrokken waren? Dan horen we dat graag.
Ook tips voor een volgende aflevering zijn welkom. Denk aan verdwenen hotels, pensions, winkels, cafés, boerderijen, scholen, bedrijven of andere plekken op Ameland waarvan het verhaal volgens jou niet verloren mag gaan.
Mail naar: info@persbureau-ameland.nl




